STRAFPROCESRECHT

Prof.mr. P.J.P. Tak


Het strafproces.

Voorbereidend onderzoek. Opsporingsonderzoek. Vervolgingsbeslissingen. Sepot. Transactie. Vorderen gerechtelijk vooronderzoek. Dagvaarding.

Gerechtelijk vooronderzoek. Eindonderzoek. Rechtsmiddelen. Tenuitvoerlegging.

 

Het strafproces

Het strafproces, dat loopt van de opsporing van een strafbaar feit tot en met de tenuitvoerlegging van een bij rechterlijk vonnis opgelegde straf, vindt plaats op de wijze bij de wet voorzien (art. 1 Sv).

Dit betekent dat regels van strafprocesrecht alleen kunnen worden gesteld bij wet in formele zin en dat de bevoegdheid om eventueel aanvullende strafprocesrechtelijke regelingen te treffen aan de lagere wetgevers is onthouden. De belangrijkste wet die bepalingen van strafprocessuele aard bevat, is het Wetboek van Strafvordering, waarin de verschillende fasen van het strafproces integraal zijn geregeld. Daarnaast bevatten ook andere wetten, zoals de Wet op de economische delicten, de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en de Warenwet, bepalingen die een strafprocessuele betekenis hebben, maar deze hebben niet die algemene, voor alle strafbare feiten geldende, strekking die eigen is aan de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering. Voorts bevatten enkele internationale verdragen, zoals het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (artt. 3, 5 en 6) en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artt. 9, 10 en 14) bepalingen ten aanzien van de inrichting van het Nederlandse strafproces, omdat deze bepalingen een ieder verbindende werking hebben.

De strafvordering in eerste aanleg verloopt in fasen, te weten: de fase van het voorbereidend onderzoek en de fase van het eindonderzoek.

Voorbereidend onderzoek

Het voorbereidend onderzoek is het onderzoek dat vóór de behandeling van de zaak ter terechtzitting plaatsvindt (art. 132 Sv) en bestaat uit het opsporingsonderzoek en (eventueel) het gerechtelijk vooronderzoek.

Opsporingsonderzoek

Het opsporingsonderzoek begint als de politie kennis neemt van een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit, bijvoorbeeld door aangifte, waartoe een ieder die kennis draagt van een strafbaar feit bevoegd is (art. 161 Sv) of door ontdekking op heterdaad (art. 128 Sv).

Het door de politie, die met de opsporing van strafbare feiten is belast (art. 141 Sv), ingestelde opsporingsonderzoek heeft tot doel gegevens te verzamelen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of er een strafbaar feit gepleegd is. Blijkt het gepleegde feit een strafbaar feit, dat wil zeggen, in de wet strafbaar gesteld, te zijn, dan richt het onderzoek zich op het vinden van de verdachte. Als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit (art. 27 Sv). Anders gezegd, verdachte is hij die het feit vermoedelijk heeft begaan.

De officier van justitie is ook belast met de opsporing van strafbare feiten en kan daartoe bevelen geven aan de overige personen met de opsporing belast (art. 148 Sv). Deze overige personen zijn in het algemeen de politieambtenaren (art. 141 Sv). Uit artikel 148 Sv zou kunnen worden afgeleid dat het openbaar ministerie in het opsporingsonderzoek een actieve rol speelt, maar in de praktijk is dit niet het geval. Het OM stelt zich terughoudend op, omdat voor de opsporing in concreto een specifieke deskundigheid vereist is die het OM veelal mist, maar bij de politie wel aanwezig is.

De opsporingsambtenaren verrichten dus een opsporingsonderzoek en leggen de resultaten daarvan vast in een procesverbaal. Dat is een verslag van hetgeen zij hebben gedaan en waargenomen. Die waarnemingen betreffen voor een groot deel de verklaringen van de verdachte, getuigen en eventuele deskundigen. Het is geen letterlijke weergave van die verklaringen maar een selectie van hetgeen juridisch relevant is. Het procesverbaal is een zeer belangrijk stuk, omdat het gebruikt kan worden als bewijsmiddel. De rechter kan op grond van het procesverbaal van één opsporingsambtenaar bewezen achten dat de verdachte het feit heeft gepleegd (art. 344 lid 2 Sv). Vandaar dat aan het procesverbaal tal van eisen zijn gesteld: het moet opgemaakt zijn op ambtseed, het moet zijn ondertekend en gedagtekend, het moet ten spoedigste zijn opgemaakt en moet zoveel mogelijk de redenen van wetenschap bevatten (artt. 152 e.v. Sv). Het wordt na sluiting onverwijld opgezonden naar de officier van justitie.

Tijdens het opsporingsonderzoek kunnen politie en OM gebruik maken van zogenaamde dwangmiddelen; het zijn tijdelijke maatregelen die genomen kunnen worden om het goede verloop van het strafproces te garanderen, zoals het staande houden van de verdachte en het naar zijn identiteitsgegevens vragen (art. 52 Sv), het aanhouden en ophouden voor verhoor gedurende zes uren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens niet meetelt (artt. 53 en 61 Sv) en het in beslag nemen van voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen (artt. 94 en 95 Sv).

Kenmerk van een dwangmiddel is dat het tegen de wil van de verdachte kan worden toegepast. Het gebruik van deze dwangmiddelen grijpt diep in de persoonlijke vrijheid van de burger in en de bevoegdheid tot het gebruik daarvan is dan ook in het Wetboek van Strafvordering nauwkeurig omschreven. Bij de toepassing van de dwangmiddelen moet de grootst mogelijke nauwkeurigheid in acht worden genomen.

Een van de meest verstrekkende dwangmiddelen is de inverzekeringstelling; de verdachte wordt dan van zijn vrijheid beroofd (artt. 57 e.v. Sv). De officier van justitie of de hulpofficier van justitie, dat is een politiefunctionaris vanaf een bepaalde rang (art. 154 Sv), kan een verdachte in verzekering stellen, als het in het belang van het onderzoek nodig is dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van Justitie zal blijven én het een strafbaar feit betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dit is onder andere het geval bij strafbare feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld (art. 58 j° art. 67 Sv). Inverzekeringstelling is dus bijvoorbeeld mogelijk ter zake van meineed (art. 207 Sr) of diefstal (art. 310 Sr), maar niet ter zake van het veroorzaken van dood door schuld (art. 307 Sr). De inverzekeringstelling duurt maximaal 3 x 24 uur en kan door de officier van justitie eenmaal met 3 x 24 uur verlengd worden (art. 58 Sv). Binnen de eerste termijn van drie dagen moet de verdachte voor de rechter-commissaris worden geleid die moet toetsen of de vrijheidsbeneming rechtmatig is. De vrijheidsbeneming op grond van de inverzekeringstelling kan dus maximaal drie dagen duren voordat er een rechter aan te pas komt. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de in de Brogan-zaak (EHRM 29 november 1988, NJ 1989, 815) gestelde eis dat een in verzekering gestelde zo spoedig mogelijk - in ieder geval binnen vier dagen - door een rechter moet worden gehoord (zie art. 5 lid 3 EVRM).

Na afloop van de inverzekeringstelling kan onder bepaalde omstandigheden de vrijheidsbeneming van de verdachte voortduren. Daarover beslist dan niet meer de (hulp)officier van justitie maar een rechter, namelijk de rechter-commissaris (afgekort RC).

Op vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris de bewaring bevelen (art. 63 Sv), indien gronden daarvoor aanwezig zijn. De gronden waarop de bewaring kan worden bevolen zijn limitatief opgesomd in artikel 67a Sv (gevaar voor vlucht of gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid).

Met de bewaring vangt de voorlopige hechtenis aan. De bewaring kan tien dagen duren (artt. 63 en 64 Sv). Zijn de gronden waarop de voorlopige hechtenis kan worden bevolen na die tien dagen nog onverminderd van kracht, dan kan de officier van justitie bij de rechtbank de gevangenhouding van de verdachte vorderen (art. 65 Sv). De gevangenhouding duurt maximaal 30 dagen en kan twee keer met dezelfde termijn worden verlengd (art. 66 Sv). Telkens moet de rechtbank bij de verlenging onderzoeken of de gronden voor de gevangenhouding nog aanwezig zijn.

Vóór de afloop van de maximale termijn van de voorlopige hechtenis (100 dagen) moet het onderzoek ter terechtzitting aanvangen.

Het door de politie opgemaakte procesverbaal vormt de basis van het verdere onderzoek.

Als het opsporingsonderzoek is afgerond, hetzij omdat er voldoende gegevens voorhanden zijn om op de terechtzitting de vragen over de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte te beantwoorden, hetzij omdat verder opsporingsonderzoek dat bewijsmateriaal toch niet zal kunnen leveren, moet de officier van justitie beslissen over de volgende fase.

Vervolgingsbeslissingen

De officier van justitie kan vier beslissingen nemen:

1. hij seponeert de zaak

2. hij biedt een transactiemogelijkheid aan

3. hij vordert een gerechtelijk vooronderzoek

4. hij gaat over tot dagvaarding.

Sepot

De officier van justitie (af te korten: OvJ) is niet verplicht alle opgespoorde strafbare feiten ter berechting voor te leggen aan de rechter. Hij kan een zaak seponeren, dat wil zeggen terzijde leggen en niet vervolgen. Hij laat dan de dagvaarding achterwege.

In principe zijn er voor de sepotbeslissing twee gronden:

- de OvJ wil niet vervolgen omdat naar zijn mening een vervolging niet opportuun is. In dit geval vindt toepassing van het zogenaamde opportuniteitsbeginsel plaats, zoals dat tot uitdrukking is gebracht in artikel 167 Sv: van vervolging kan worden afgezien op gronden die aan het algemeen belang zijn ontleend. De wet houdt geen nadere concretisering in van hetgeen onder het algemeen belang kan worden verstaan, maar sinds enkele jaren is bekend wat het OM hieronder laat vallen. Om een enkel voorbeeld te noemen: het OM kan seponeren omdat de zaak beter via het civiele of administratieve recht dan via het strafrecht kan worden afgedaan of omdat het feit gering is, omdat de dader het slachtoffer is van zijn eigen strafbaar feit, omdat de dader zijn verhouding tot de benadeelde geregeld heeft door het betalen van schadevergoeding, omdat de dader in een zeer slechte gezondheid verkeert, enzovoorts.

Transactie

Van een transactie is sprake als het OM van zijn recht tot vervolging afziet nadat de verdachte een door het OM bepaalde geldsom aan de Staat heeft betaald of anderszins aan door het OM gestelde voorwaarden heeft voldaan (zie art. 74 Sr).

Transactie is mogelijk ter zake van overtredingen en ter zake van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar.

Vorderen gerechtelijk vooronderzoek

Wanneer het opsporingsonderzoek nog niet voldoende bewijsmateriaal heeft opgeleverd of de OvJ een psychologisch dan wel psychiatrisch rapport over de verdachte uitgebracht wil zien, kan hij vorderen dat de rechter-commissaris een gerechtelijk vooronderzoek instelt (artt. 149 en 181 Sv).

Dagvaarding

Is het op grond van het opsporingsonderzoek en/of het gerechtelijk vooronderzoek verzamelde bewijsmateriaal naar de mening van de OvJ voor de rechter ter terechtzitting toereikend om een oordeel te kunnen geven over de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de dader, dan gaat de OvJ over tot dagvaarding (art. 258 Sv). De dagvaarding is een schriftelijk stuk dat aan de verdachte wordt betekend en waarin onder andere het hem te laste gelegde feit is opgenomen, alsmede de lijst van getuigen die ter terechtzitting zijn opgeroepen. Met de dagvaarding wordt de zaak aanhangig gemaakt ter terechtzitting en neemt het rechtsgeding een aanvang.

 

Gerechtelijk vooronderzoek

Evenals het opsporingsonderzoek is het gerechtelijk vooronderzoek erop gericht de zaak zó voor te bereiden, dat deze op de terechtzitting kan worden afgedaan. Een gerechtelijk vooronderzoek is lang niet in alle gevallen noodzakelijk. In het merendeel van de gevallen is het opsporingsonderzoek toereikend om het bewijsmateriaal boven tafel te krijgen. Maar soms blijken de bevoegdheden van de politie en de OvJ ontoereikend om de benodigde gegevens te krijgen.

In zo'n geval zal de OvJ een gerechtelijk vooronderzoek vorderen omdat de rechter-commissaris over meer omvangrijke en verdergaande bevoegdheden en dwangmiddelen beschikt. Deze kan een huiszoeking ter inbeslagneming doen (artt. 111 en 112 Sv) en hij kan bepalen dat door opsporingsambtenaren telefoongesprekken van de verdachte mogen worden afgeluisterd (art. 125g Sv) en dat voor de verdachte bestemde poststukken mogen worden opengemaakt (artt. 100 e.v. Sv). De RC heeft ook meer machtsmiddelen om onwillige getuigen te horen. Onder omstandigheden kan de RC zelfs getuigen onder ede horen (art. 216 Sv). Een door de RC gehoorde getuige wordt veelal niet meer op de terechtzitting gehoord. Volstaan wordt dan met het voorlezen van het door de RC van het verhoor opgemaakte procesverbaal.

Het is de RC die besluit of het gerechtelijk vooronderzoek kan worden gesloten omdat de benodigde gegevens verkregen zijn dan wel omdat er geen reden is om het onderzoek voort te zetten (art. 237 Sv).

Nadat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, is het voorbereidend onderzoek afgerond. De officier van justitie moet nu beslissen of hij de zaak ter behandeling aan de rechter zal voorleggen door de verdachte te dagvaarden, dan wel zal afzien van verdere vervolging wegens gebrek aan bewijs of op gronden aan het algemeen belang ontleend (artt. 242 e.v. Sv).

Eindonderzoek

Onder het eindonderzoek wordt de gehele behandeling ter terechtzitting verstaan, vanaf het aanhangig maken van de zaak door dagvaarding tot en met de uitspraak. Een eventuele behandeling in hoger beroep of cassatie wordt ook gerekend tot het eindonderzoek. Met de dagvaarding wordt de zaak aanhangig gemaakt (art. 258 Sv), dat wil zeggen dat het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt een beslissing moet nemen over het feit dat in de dagvaarding aan de verdachte is ten laste gelegd (art. 261 Sv).

De verdachte weet op grond van de dagvaarding waarvoor hij terecht moet staan. Hij kan niet overvallen worden met de tenlastelegging van een ander feit. Op basis van de dagvaarding kan hij zijn verdediging voorbereiden. Het onderzoek ter terechtzitting vangt aan door het uitroepen van de zaak door de deurwaarder (art. 278 Sv).

Nadat de rechter zich vergewist heeft van de identiteit van de verdachte, draagt de OvJ de zaak voor, met andere woorden de officier leest de tenlastelegging voor (art. 280 Sv).

Op de grondslag van de tenlastelegging volgt nu het onderzoek van de rechter naar de toedracht van de feiten en het aandeel van de verdachte hierin. De rechter hoort de getuigen, de deskundigen en de verdachte, of leest hun verklaringen afgelegd tegenover de politie of RC voor. Ook de OvJ en de verdachte kunnen de getuigen en deskundigen vragen stellen. Als de verhoren zijn afgerond, houdt de officier van justitie zijn requisitoir. Hierin geeft hij zijn visie over de bewijsbaarheid van het ten laste gelegde feit, de strafbaarheid van dat feit en de strafbaarheid van de verdachte. Komt de OvJ tot de conclusie dat het feit bewezen is en de verdachte strafbaar, dan eindigt het requisitoir met het vorderen van een bepaalde straf. Daarna krijgt de verdachte en zijn raadsman het woord (pleidooi).

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatste woord te spreken (art. 311 Sv). Vervolgens sluit de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting en trekt de rechtbank zich terug om te beraadslagen over het vonnis aan de hand van de vragen die zijn opgenomen in de artikelen 348 en 350 Sv.

De vragen uit artikel 348 Sv zijn de zogenaamde voorvragen waarbij de processuele aspecten van de zaak op hun juistheid worden getoetst. De belangrijkste vragen zijn:

1. is de dagvaarding geldig?

Bij de beantwoording van deze vraag zal er in het bijzonder op gelet worden of de dagvaarding voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv stelt aan de inhoud van de dagvaarding. Deze eisen zijn immers gesteld op straffe van nietigheid. Voldoet de dagvaarding niet aan de voorschriften dan volgt de nietigverklaring van de dagvaarding. De OvJ kan dan een nieuwe dagvaarding uitbrengen en het onderzoek ter terechtzitting begint van vooraf aan.

2. is de rechter zowel absoluut als relatief bevoegd van het ten laste gelegde feit kennis te nemen?

Bij de beantwoording van deze vraag wordt nagegaan of de juiste soort rechter, bijvoorbeeld kantonrechter of rechtbank, is benaderd en of het feit door de rechter uit dat rechtsgebied mag worden berecht.

Zo niet dan verklaart de rechter zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen. De OvJ kan dan de verdachte andermaal dagvaarden maar nu bij een bevoegde rechter.

3. is de officier van justitie ontvankelijk?

Deze vraag betreft het recht van de OvJ om een vervolging in te stellen. Het kan zijn dat dit recht is vervallen, bijvoorbeeld omdat het feit is verjaard (art. 70 Sr) of omdat de verdachte overleden is (art. 69 Sr) of omdat de verdachte getransigeerd heeft, dat wil zeggen: is ingegaan op het transactievoorstel van het OM (art. 74 Sr). Indien het recht tot strafvordering wegens verjaring, overlijden of transactie vervallen is, wordt de OvJ niet ontvankelijk verklaard. Hiermee is de zaak dan afgedaan. De OvJ kan niet opnieuw vervolgen.

Wanneer op alle formele vragen een bevestigend antwoord kon worden gegeven, kan de rechter pas aan de vier hoofdvragen uit artikel 350 Sv toekomen. Deze vragen hebben betrekking op het ten laste gelegde feit en betreffen de inhoudelijke aspecten daarvan. Achtereenvolgens beantwoordt de rechter de volgende vragen:

1. is het te laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen (vgl. de artt. 338 e.v. Sv) met de in de wet genoemde wettige bewijsmiddelen (art. 339 Sv)?

Zijn de bewijsmiddelen niet toereikend of is de rechter ondanks toereikend wettig bewijs er niet van overtuigd dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd, dan volgt een vrijspraak (art. 352 lid 1 Sv).

Vrijspraak betekent dus dat de rechter het te laste gelegde feit niet wettig en/of overtuigend bewezen acht.

2. is het bewezen feit strafbaar?

De rechter moet onderzoeken of het bewezen feit ook onder een wettelijke strafbepaling valt en wederrechtelijk is De strafbaarheid van het feit kan ontbreken omdat er een strafuitsluitingsgrond aanwezig is. Is het feit niet strafbaar dan ontslaat de rechter de verdachte van alle rechtsvervolging (art. 352 lid 2 Sv).

      1. is de verdachte strafbaar?

De rechter moet onderzoeken of de verdachte strafbaar is. De strafbaarheid van de verdachte kan ontbreken omdat een schulduitsluitingsgrond aanwezig is. Is de verdachte niet strafbaar dan moet een ontslag van alle rechtsvervolging volgen (art. 352 lid 2 Sv). Ontslag van rechtsvervolging betekent dus dat het te laste gelegde feit niet strafbaar is dan wel dat de verdachte deswege niet strafbaar is.

Tot slot, als er dus geen grond is om de verdachte vrij te spreken of hem te ontslaan van rechtsvervolging, beraadslaagt de rechter over de vierde vraag, namelijk welke straf of maatregel de verdachte moet worden opgelegd (art. 351 Sv).

Het antwoord op bovengenoemde vragen wordt met redenen omkleed neergelegd in het vonnis. Artikel 359 Sv stelt nadere eisen met betrekking tot de inhoud van het strafvonnis.

Rechtsmiddelen

Onder rechtsmiddelen verstaan we de mogelijkheden die de verdachte en het OM hebben om op te komen tegen een hun onwelgevallige rechterlijke uitspraak. De rechtsmiddelen worden geregeld in Boek III van het Wetboek van Strafvordering.

De belangrijkste gewone rechtsmiddelen - de wet kent ook buitengewone rechtsmiddelen, te weten herziening (artt. 457 e.v. Sv) en cassatie in het belang van de wet (art. 456 Sv) - zijn hoger beroep en cassatie.

Tegen het vonnis in eerste aanleg gewezen, kunnen de verdachte en de OvJ vrijwel altijd (zie art. 44 lid 2 RO) hoger beroep aantekenen. De termijn voor het instellen van hoger beroep is in beginsel veertien dagen na de uitspraak (zie art. 408 Sv). Hoger beroep heeft een nieuwe behandeling van de zaak tot gevolg. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep verloopt in hoofdzaak volgens de regels die voor het onderzoek in eerste aanleg gelden.

Van de in hoger beroep gewezen uitspraak kan binnen veertien dagen na de uitspraak in cassatie worden gegaan. In cassatie vindt geen nieuwe behandeling van de zaak plaats maar wordt door de Hoge Raad onderzocht of de vormvoorschriften in acht zijn genomen en of het recht op juiste wijze is toegepast. In cassatie gaat het dus om rechtskwesties.

Wegens verzuim van vormen (dus wegens het niet in acht nemen van vormvoorschriften) of wegens schending van het recht kan een rechterlijke beslissing door de Hoge Raad worden vernietigd (art. 99 lid 1 RO).

Er wordt onderscheid gemaakt tussen formele en substantiële vormverzuimen. De vormverzuimen waaraan de wet nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting heeft verbonden, worden formele vormverzuimen genoemd. De vormverzuimen waaraan de wet niet de sanctie van nietigheid verbindt, maar die vormen betreffen die zo zeer tot het wezen van het strafproces behoren dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad de niet-nakoming daarvan toch nietigheid ten gevolge heeft, worden substantiële of essentiële nietigheden genoemd.

Van schending van het recht wordt gesproken als het geschreven of ongeschreven recht (onder andere rechtsbeginselen) niet of verkeerd zijn toegepast. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de rechter een straf heeft opgelegd die de wet niet toelaat (stel de rechter legt de straf van dwangarbeid op), of een bepaling heeft toegepast die niet verbindend is (stel de rechter past een bepaling uit een algemene plaatselijke verordening toe die in strijd is met de Grondwet), dan wel aan een wettelijke term in de tenlastelegging een betekenis heeft toegekend die onjuist wordt geacht (stel de rechter is van oordeel dat een fiets niet een goed is als bedoeld in art. 310 Sr). Casseert de Hoge Raad het vonnis of arrest, dan doet de cassatierechter de zaak in het algemeen niet zelf af. De zaak kan worden teruggewezen naar de rechter die het gecasseerde vonnis of arrest heeft gewezen, of worden verwezen naar een andere rechter teneinde met inachtneming van de uitspraak van de Raad verder te worden berecht en afgedaan.

Het instellen van een rechtsmiddel schort de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel op.

Tenuitvoerlegging

De tenuitvoerlegging van alle strafvonnissen is een taak van het OM (art. 4 Wet RO). In Boek V van het Wetboek van Strafvordering wordt daarvan een nadere regeling gegeven.

De tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen geschiedt in de praktijk echter door de departementale administratie, het Ministerie van Justitie. Daar is de noodzakelijke penitentiaire deskundigheid en ervaring aanwezig. Een centralisering schept bovendien een zekere waarborg voor een uniformiteit in het executiebeleid. De executie van geldboetes geschiedt wel door het OM. De verwerking en inning van geldboetes gaat voor het grootste deel automatisch.